Dagje Lauwersmeer

Het was al weer een hele tijd geleden dat de leden van vogelwerkgroep Brandemeer er gezamenlijk eens een dagje op uit gingen. Door allerlei telactiviteiten (Vogelatlas, watervogeltellingen, broedvogeltellingen, slaapplaatstellingen, etc) en de normale dagelijkse bezigheden was het er een hele tijd niet van gekomen, maar nu stond al sinds enkele weken 21 november een rondje Lauwersmeer in de agenda. Nationaal Park Lauwersmeer, net als de Brandemeer, een uniek waterrijk vogelgebied maar iets uitgestrekter en met dijken en oude slenken in plaats van ribben en petgaten.
De verwachtingen waren dan ook hooggespannen hoewel de weergoden ons niet heel bijzonder gezind leken. De temperatuur was de dag ervoor flink gedaald tot 6 graden en er waren buien op komst.

De werkgroep bestaat uit 7 personen, allen mannen, uit Nes, Heerenveen, Wolvega en Munnekeburen. We hadden afgesproken om om 9:00 te verzamelen bij McDonald’s Heerenveen en van daar in 2 auto’s verder te gaan. We vertrokken iets later omdat er bij de Stellingwervers wat onduidelijkheid was omtrent de precieze locatie van station Wolvega Centraal. Dit probleem werd gelukkig adequaat opgelost en zo konden we dan toch samen op weg. Voor de zekerheid en om verdere misverstanden te voorkomen werden de Stellingwervers wel over de 2 auto’s verdeeld.

De eerste halte was de vogelkijkhut Ezumakeeg. Voor de hut lag een groot aantal eenden te dobberen waarbij vooral de pijlstaarten en de brilduikers opvielen.

pijlstaart

pijlstaart

foto: Luc Hoogenstein

Dit zijn soorten die incidenteel ook wel in de Brandemeer worden gezien maar niet in deze aantallen en meestal ook niet zo vroeg in het seizoen. Verder zagen we nog een “ringtail” blauwe kiekendief.

Dit is een verzamelnaam voor een vrouw of juveniele man die lastig uit elkaar zijn te houden. Op een net droogvallend landruggetje werd nog een druk foeragerende bontbekplevier gezien.

Voordat we verder gingen werden de streeplijsten bijgewerkt. Hierbij bleek dat er, hoewel we nog maar net gestart waren in de ene auto al een behoorlijk aantal soorten meer gezien was dan in de andere. Hoewel dit natuurlijk wel de nodige argwaan wekte, bevorderde het zeker wel het algemene gevoel van alert blijven en we vervolgden, aandachtig speurend naar nieuwe soorten, onze tocht.

De volgende halte was de Bantpolder. Op weg hier naar toe werden nog grote aantallen brandganzen gezien. In de Bantpolder verbleef een grote groep kieviten en goudplevieren.

goudplevier

goudplevier

foto: Piet Musterman

We reden verder richting zeedijk. Hier was het rustig wat betreft vogels, maar niet wat betreft regen en wind die we vers van zee op ons af zagen en voelden komen. Dit deed ons besluiten een koffiegelegenheid te zoeken in de haven van Lauwersoog. In het visrestaurant bleek dat we niet de enige vogelliefhebbers waren die een dagje op bezoek waren in het Lauwersmeergebied. Vlak bij ons nam een groep plaats die tot onze verrassing hoofdzakelijk uit vrouwen bestond. Uit de opmerkingen hierover was toch een ondertoon van een zekere afgunst af te leiden. Het is duidelijk dat bij (zeer gewenste) uitbreiding van de vogelwerkgroep Brandemeer bij verdere gelijke geschiktheid er bij de kwestie m/v een duidelijke voorkeur bestaat. Na een broodje seafood en een tweede kop koffie richtten we onze aandacht weer op de vogels.

In de haven zagen we buitendijks scholeksters en een tureluur, beide goede bekenden uit de Brandemeer. Dit kan niet gezegd worden van de steenloper die zijn naam helemaal eer aandeed op en tussen de basaltblokken.

steenloper (winterkleed)

steenloper (winterkleed)

foto: Mark Zekhuis

Verder was het ook hier vrij rustig. Het leek alsof de vogels dekking zochten voor de harde wind en de volgende buien die we alweer op ons af zagen komen. Wij gingen verder richting zuidoever van het Nieuwe Robbengat. Een wandeling door het bos bij vakantiepark Suyderoogh leverde ook niet veel bijzonders op. Na het bestuderen van de buienradar werd besloten dat er eerst nog maar weer eens koffie moest worden gedronken.

De rondrit werd daarna vervolgd richting Jaap Deensgat. Op weg naar de hut werden enkele baardmannen gehoord maar ze lieten zich niet zien. Voor de hut bevonden zich grote groepen eenden en op een ondiepe plek werden wilde en kleine zwanen gezien. Toen op zeker moment vrijwel alle eenden het luchtruim kozen vroegen we ons even af waardoor al die onrust werd veroorzaakt. Dit werd heel snel duidelijk. Het bleek een jagende adulte zeearend.

zeearend

zeearend

foto: Hans Dekker

De vogel verzorgde een wervelende show, prachtig zichtbaar voor de hut. Uiteindelijk greep hij een flinke vis en streek hiermee neer aan de overzijde van het Jaap Deensgat, nog altijd zichtbaar voor ons. Na even uit beeld te zijn verdwenen, verscheen hij ongeveer een kwartier later opnieuw en vloog, schuin voor de hut, in oostelijke richting weg. We beseften dat dit magnifieke gebeuren niet meer overtroffen zou worden en besloten geleidelijk maar weer eens richting Heerenveen te gaan.

In Heerenveen werd onder het genot van erwtensoep nog uitgebreid nagepraat. Eén van ons nam zich voor voorlopig niet meer het veld in gaan om het beeld van de zeearend maar zo lang mogelijk op het netvlies te houden.

Geheel volgens schema van het avondprogramma vond nog een evaluatie plaats van het afgelopen broedseizoen in de Brandemeer. Het blijkt dat autoclustering van de BMP plots voor een aantal soorten een niet realistische uitkomst geeft. Dit is vooral het geval bij grauwe gans, purperreiger en zwarte stern. We hebben besloten deze soorten tijdens de BMPtellingen niet meer te noteren en het aantal paren te registreren met nestentelling.
Verder werd er nog gesproken over het eilandje in de Brandemeer. Dit is een voorkeursbroedplaats van de purperreiger maar wordt hiervoor steeds minder geschikt door toedoen van de grauwe gans. Zij vertrappen en breken het jonge riet waardoor het eilandje geleidelijk minder aantrekkelijk wordt voor de purperreiger. Het idee is nu om , bij wijze van proef, het eiland voor het broedseizoen af te zetten met gaas. Hopelijk worden de ganzen hierdoor zo afgeschrikt dat zij een andere nestplaats zoeken.
In 2015 is er tijdens de broedvogeltellingen een record aantal vossen gezien. Mogelijk is er een verband met de verminderde jachtactiviteit. Het blijft een lastig onderwerp het het hoge aantal vossen zal de weidevogelstand zeker niet bevorderen.

De avond werd besloten met verhalen van zonderlinge gebeurtenissen die je als teller in de Brandemeer zomaar kunt beleven. Zo gebeurde het bij een watervogeltelling dat er uit een grote groep ganzen één exemplaar zienderogen hoogte verloor en uiteindelijk dood neerviel in het perceel van de teller. Het dier bleek ver boven de Tjonger te zijn aangeschoten. Van de nood werd een deugd gemaakt: de vogel werd geconsumeerd en de telling gecorrigeerd (-1).

gans, soort: gebraden

gans, soort: gebraden

foto: smulweb

Dan is er nog het mysterie van de voertuigen (auto’s en fietsen) die op zeer onregelmatige tijdstippen aan het eind van de nacht of in de heel vroege ochtend op meestal afgelegen plekken in de Brandemeer worden aangetroffen en waarvan de eigenaar als een geest lijkt opgelost. Eenmaal vond er een ontmoeting plaats maar de persoon wenste zich verder niet bekend te maken en reageerde wat ontwijkend.

Zo blijft de Brandemeer een spannend en boeiend gebied waar het goed toeven is.

Bijlage 1

Leden vogelwerkgroep Brandemeer

Naam Plaats
Tjibbe Zandstra Nes
Theo Meijer Munnekeburen
Frens van Dijk Wolvega
Heine van Dijk Wolvega
Dick Peters Heerenveen
Jan Stegeman Heerenveen
Siep van der Veen Heerenveen

Bijlage 2

Waargenomen vogels

  • Aalscholver
  • Baardman
  • Bergeend
  • Blauwe Kekendief
  • Blauwe Reiger
  • Bontbekplevier
  • Brandgans
  • Brilduiker
  • Buizerd
  • Fazant
  • Fuut
  • Goudplevier
  • Graspieper
  • Groenling
  • Grote Zilverreiger
  • Kauw
  • Kievit
  • Kleine Mantelmeeuw
  • Kleine Zwaan
  • Knobbelzwaan
  • Kokmeeuw
  • Koolmees
  • Meerkoet
  • Merel
  • Nijlgans
  • Pijlstaart
  • Pimpelmees
  • Putter
  • Roodborst
  • Scholekster
  • Slechtvalk
  • Slobeend
  • Spreeuw
  • Steenloper
  • Tafeleend
  • Torenvalk
  • Tureluur
  • Wilde Eend
  • Wilde Zwaan
  • Winterkoning
  • Wulp
  • Zeearend
  • Zilvermeeuw

Zomaar een telochtend

Het is zondag 7 juni. Route A staat vandaag op het programma, een mooi stukje Brandemeer-Noord met voornamelijk rietland.
Ik heb de wekker op 4 uur gezet, maar ben om vijf voor vier al klaarwakker. De afgelopen week ben ik al vaker vroeg opgestaan, dus het zal wel gewenning zijn.

Na een snel ontbijt zit ik twintig minuten later op de fiets. Het is helder weer en nog bijna volle maan, zodat het al niet echt donker meer is. De merels en de winterkoningen laten zich in een verder stil Heerenveen al volop horen.

Via het Easterskar, waar de sprinkhaanzanger flink zijn best doet, kom ik bij de zelfbedieningspont over de Tjonger. Shit, die ligt aan de overkant. Dat betekent 200 extra slagen aan het grote wiel.
Ik ben niet de enige vroege vogel. Een man laat zijn bootje te water op de boothelling vlak bij de pont en verdwijnt even later in de mist, die boven het water van de Tjonger hangt.

Het telgebied grenst aan de aanlegplaats van de pont.
Enigszins buiten adem van het zwengelen aan het pontwiel sta ik om even over vijf mijn regenbroek aan te sjorren. Het gras op het land is behoorlijk nat en staat al meer dan kniehoog. Zonder regenbroek ben je binnen een ommezien kletsnat.

Ook boven het riet hangen dichte mistflarden. Gelukkig tellen we de meeste vogels op gehoor, maar het oog wil ook wat. Ik loop dus heel rustig verder het gebied in om de zon, die ik tussen de mistslierten net boven de horizon zie komen, de tijd te geven de mist op te lossen.

Links in het riet hoor ik behalve wat kleine karekieten een klagelijk gejammer. Een waterral. Honderd meter verderop zit er zowaar nog één. Dat begint veel belovend.

In een slootje zie ik wat vage schimmen: eenden in de mist. Gelukkig kan ik nog net het sliertje op het achterhoofd van één ervan ontwaren, kuifeenden dus.

Van de kleine zangertjes voeren de rietgorzen en de kleine karekieten de boventoon, verder hoor ik een enkele rietzanger en een blauwborst.

Na een klein uurtje is de mist helemaal verdwenen en kom ik bij het plasje waar de Brandemeer volgens de overlevering zijn naam aan te danken heeft. Dit plasje schijnt door een hardnekkige veenbrand ontstaan te zijn.

Een ree staat me van honderd meter afstand gespannen aan te kijken, loopt dan een stukje blaffend verder, maar blijft onrustig in de buurt rondhangen. Waarschijnlijk zit er ergens een jong in het lange gras.

jonge reeen

jonge reeën

foto: Janus Verkerk

Ik loop nog even naar een slootje waar een vorige keer zomertalingen zaten; vandaag niet.
Via een wankel plankje kom ik op een punt waar ik een mooi overzicht over het water heb. Een snor zit daar volop te zingen en trekt zich niet veel van mij aan. Hij gaat alleen vijf meter verderop zitten snorren. Zo mooi heb ik hem niet vaak in de kijker gehad.

Voorzichtig loop ik richting het water, proberend de eenden die er zitten niet te verjagen. Veel zijn het er niet, wat krakeenden en kuifeenden en een enkele meerkoet.

Plotseling laat een roerdomp zich horen, hij zit vlakbij. Maar hij laat zich niet zien.
Ook zitten er waterrallen, het geluid komt van alle kanten. Het lijken er wel vier, maar dat is denk ik een beetje overdreven, dus noteer ik er maar twee.

Op het eilandje van de plas broeden purperreigers, vorig jaar ongeveer zeven paar. Of het er dit jaar ook zoveel zijn waag ik te betwijfelen. Ik zie er vanochtend maar twee.

Tussen het riet van het eilandje zie ik opeens een baardmanfamilie. Met niet meer dan één jong, het klautert klunzig door het riet. Het doet mij denken aan de gymzaal van school vroeger: touwklimmen, daar was ik geen ster in.

Na een kwartier maak ik mij met enige moeite los van het prachtige plekje aan het water. Op mijn gemak kuier ik weer richting fiets. In het stukje weiland, waar nog wel eens een graspieper zit, is het nu stil. Maar bij de telling van vorige week van een weidevogelstuk zagen we er een heleboel, dus daar geen zorgen over.

Boven het rietland verderop zweeft een paartje bruine kiekendief. Ze zullen hun nest daar wel ergens in het riet hebben, want ze scharrelen meestal in de buurt daarvan.

Als ik weer op het pad kom waar ik het rondje begonnen ben, zie ik half op het pad, half in het gras een roerdomp zitten op ongeveer veertig meter afstand. In de kijker krijg ik hem prachtig in beeld. Ik heb al vaker een roerdomp zien vliegen, maar zo op de grond is voor mij de eerste keer. Voorzichtig probeer ik dichterbij te komen, maar hij heeft mij in de gaten. In het riet zou hij in de paalhouding geschoten zijn, maar waarschijnlijk beseft hij dat dat in het kortere gras geen zinvolle actie is. Al snel gaat hij op de wieken om honderd meter verderop in het riet te verdwijnen.

Om tien over zeven ben ik weer bij de fiets. De zon schijnt volop en de Tjongerdijk zit inmiddels vol met vissers. De pont ligt gelukkig nog aan mijn kant.

Op de terugweg stap ik op de Liemdijk nog even van de fiets, om bij een ondiep plasje te kijken. Eerder zag ik daar onder andere kluten, zomertalingen en bergeenden. Nu zitten er alleen grauwe ganzen, je kunt niet alles hebben.

Purperreiger (Ardea purpurea)

De purperreiger heeft landelijk een goed broedjaar achter de rug.
In ons gebied hadden we vorig jaar tussen de 12 en 15 broedparen. De meesten daarvan zaten in een kleine broedkolonie in Brandemeer-Noord, verder zitten in Brandemeer-Zuid en in de Rottige Meente nog wat verspreid broedende exemplaren.
Dit jaar lijken we ongeveer op hetzelfde aantal broedparen te zijn uit gekomen.

De purperrreiger is wat donkerder en een wat slankere vogel dan de meer voorkomende blauwe reiger en maakt een wat slungeliger indruk.
In de vlucht is hij verder van de blauwe reiger te onderscheiden door zijn langere tenen, die gedeeltelijk naar boven uitsteken.

purperreiger

purperreiger

foto: Eric van Roon

Het voedsel van de schuwe vogel bestaat uit vis, waterinsekten, slakken en muizen.

De purperreiger staat op de rode lijst, wat wil zeggen dat hij in zijn voortbestaan bedreigt wordt.
Het broedsucces wordt behalve door predatie (vossen) bepaald door de wateromstandigheden in het broed- en voedselgebied.
Ook te droge overwinteringsomstandigheden hebben de purperreiger vaak geen goed gedaan. Mogelijk is ook de jacht op de trekroute en in het overwinteringsgebied een factor, waardoor de purperreiger het moeilijk heeft.
Het aantal broedparen in Nederland schommelt de laatste jaren tussen de 500 en 700, waarvan de helft in Zuid-Holland. Hiermee zitten we zo’n beetje tussen het hoogtepunt van 1990 met 1000 paar en het dieptepunt van 1960 met 200-300 paar.
De purperreiger komt nog maar relatief kort in ons land voor, nl vanaf de 17e eeuw. Dit heeft alles te maken met het gebied waar hij zijn voedsel zoekt: vochtige veenweidegrond.

Friesland is de meest noordelijke plek in Europa waar de purperreiger broedt.
Hij broedt in oud riet, soms als er veel vossen voorkomen ook wel in hogere struiken of boompjes. Zijn nest is voornamelijk, hoe kan het ook anders, van rietstengels gemaakt.

Het broedproces begint in de eerste weken van april. Na ongeveer 25 dagen komen de eieren (gemiddeld 5 per nest) uit. Vijf weken later zijn de jongen vliegvlug.
Na het uitvliegen van de jongen eind juni, verlaat de hele populatie de broedkolonie, maar blijft wel foerageren in de onmiddellijke omgeving daarvan.
Eind september trekken ze in groepen weg, om via Spanje (het merendeel) of Italie naar het overwinteringsgebied in West-Afrika ten zuiden van de Sahara te trekken.

Wetlandwacht redt paradijsje

Theo Meijer is Wetlandwacht voor ons gebied (en tevens lid van de vogelwerkgroep).
Onderstaand artikel, dat ik met toestemming varn Vogelbescherming heb overgenomen uit Vogels+, illustreert het belang van de Wetlandwacht.

baardman

baardman

foto: Jan C. van der Straaten

Een idyllische rietstrook met een overvloedige vogelbevolking droogde in korte tijd op. Weg vogels. WetlandWacht Theo Meijer liep met veel geluk tegen de oorzaak en oplossing aan. Nu is de Tussenlinde natter dan ooit.
Rietbewoners keren massaal terug.

Hij haalt opgelucht adem, Theo Meijer uit het Friese Munnikeburen. Na jaren van toenemende ergernis over het verdrogen van een van “zijn” wetlands, De Tussenlinde, broedden er het afgelopen jaar weer volop baardmannen en waterrallen en werden er weer verse spraints van otters gevonden. Maar daar had de WetlandWacht wel het nodige lobbywerk en een bijzondere ontmoeting voor nodig.

otter

otter

foto: Mark Zekhuis

Prachtig overjarig riet

“De Tussenlinde is een strook rietland aan de voet van de oude Statendijk tussen Slijkenburg en Schoterzijl. Voor de komst van de Afsluitdijk en ook voor de inpoldering van de Noordoostpolder klotste hier zout water tegen de voet van de dijk. Na de inpoldering ontstond een rietvegetatie, met stukjes open water en hier en daar een wilgestruik. De kwaliteit van het riet was niet voldoende voor de rietsnijders uit de buurt, dus de laatste twintig jaar wordt het riet niet meer gemaaid. Zo kon er een prachtig stuk overjarig riet ontstaan”, aldus Theo Meijer.

Roerdompen, snorren en rietgorzen

De inventarisaties vanaf 2004 laten zien dat dit relatief kleine stukje natuur -het gebied is net veertien hectare- grote potentie heeft. Er broeden roerdompen, bruine kiekendieven, waterrallen, blauwborsten, snorren, kleine karekieten, rietzangers, baardmannen en rietgorzen. In het naseizoen is het riet de favoriete slaapplaats van spreeuwen, witte kwikstaarten, boerenzwaluwen en kiekendieven.
De Tussenlinde heeft ooit de bestemming Natuur gekregen ter compensatie voor de bouw van een botenloods aan de rand van de Rottige Meenthe, een ander gebied van WetlandWacht Theo Meijer. “Voor de provincie geldt het sindsdien als een natte ecologische verbindingszone tussen de Linde in het zuidoosten en de Tjonger in het noordwesten. Die verbinding is bedoeld voor soorten als de otter, de ringslang, de grote vuurvlinder en de zilveren maan.”

zilveren maan

zilveren maan

foto: Arie de Knijff

Kelderende Broedterritoria

“In 2009 werd het gebied nog eens uitgebreid met twee kleine ondiepe plassen”, vertelt Meijer. “Maar toen ging het mis. De plassen verdroogden binnen de kortste keren en beheerder Staatsbosbeheer liet het erbij zitten. Ieder jaar droogde het gebied steeds vroeger in het voorjaar op. Het aantal broedterritoria van de rietvogels kelderde van 169 in 2007, via 121 in 2010 naar slechts 98 in 2012”.
Meijer lobbyde onophoudelijk bij Staatsbosbeheer. “Hou de schapen uit gebied, maak het natter….maar mijn adviezen werden voor kennisgeving aangenomen. Tot ik in het veld een oud-student van mij, van de Hogeschool Van Hall Larenstein, tegenkwam. Die bleek nu bij het Waterschap te werken, waarvoor hij nota bene 1600 verschillende waterpeiltjes in de regio moest regelen. Toen ik hem meenam naar de Tussenlinde constateerde hij dat het peil daar helemaal niet klopte. De oorzaak was toen snel gevonden: veel te nauwe toevoerbuizen, die ook nog verstopt zaten. Enkele weken later liet Staatsbosbeheer nieuwe en grotere aanvoerbuizen voor het water aanleggen en werd de oude, verstopte waterinlaat richting rietpercelen ontstopt.”

Een explosie van broedgevallen

“De weken erna vulde het gebied zich met water: niet alleen de beide rietpercelen maar ook het gebied eromheen. Zo nat had ik het hier nog niet eerder gezien. Als eerste verscheen in de herfst weer een otter in het gebied. Ook waterrallen en baardmannen lieten zich in de herfst weer horen. In het broedseizoen van 2013 was het effect helemaal duidelijk”, aldus een opgetogen WetlandWacht. “De wilgenbosjes in het nattere Slijkenburger rietperceel kregen het moeilijk natuurlijk, maar het riet en de bijbehorende vogels deden het weer beter. De wilde eend nam toe van 4 naar 8 broedparen, waterral van 1 naar 4, meerkoet van 3 naar 8, blauwborst van 8 naar 12, snor van 2 naar 5, rietzanger van 10 naar 16, kleine karekiet van 29 naar 44 en baardman van 2 naar 6. Al met al steeg het aantal broedterritoria van 98 in 2012 naar 152 in 2013!”

kleine karekiet

kleine karekiet

foto: Jan Nijendijk

Op naar de 200!

Meijer is vol goede hoop voor het broedseizoen van 2014. “De baardmannen lieten zich ook deze herfst veelvuldig horen, groepjes van tien foerageerden door het gebied. En overal in het kletsnatte gebied liggen weer spraints van de otter. De gekeerde kansen van dit kleine natuurgebiedje zijn een bewijs dat het goed is om via de WetlandWacht ogen en oren in het veld te hebben”, benadrukt Meijer. “En ik heb natuurlijk ook wel geluk gehad dat ik die oud-student van mij tegenkwam. Hopelijk keert komend voorjaar ook de roerdomp terug in de Tussenlinde en gaan we op naar de 200 broedterritoria.

(bron: Vogels+, een uitgave van Vogelbescherming Nederland)

Theo heeft inmiddels eind maart de roerdomp weer gehoord in de Tussenlinde!
Een jaar later(2015) staat de teller voor de roerdomp zelfs al weer op 4!

Zwarte stern (Chlidoneas niger)

De tweede week van maart is een week waarin de winter definitief voorbij lijkt. De eerste kievitseieren zijn gevonden en met temperaturen boven 10 graden lijkt het voorjaar al aangebroken. De aankomende tijd zullen steeds meer vogels van zich laten horen. Vanaf ongeveer half april bevolken Zwarte Sterns de Nederlandse laagveenmoerassen. De Zwarte Stern is een vrij gedrongen, asgrijze tot zwarte vogel ter grootte van een merel. Begin 1900 kwam de Zwarte Stern vrij algemeen voor in Nederland. In honderd jaar tijd zijn de aantallen gedaald van zo’n 20.000 broedparen toen, naar plm 1.500 nu.

zwarte stern

zwarte stern

foto: Eric van Roon

Staatsbosbeheer en Vogelwerkgroep Brandemeer hebben zich tot doel gesteld de soort voor de Brandemeer te behouden. Verdeeld over drie kolonies in natuurgebied ‘De Brandemeer’ broeden jaarlijks ongeveer 60 paren Zwarte Sterns.Vogelwerkgroep helpt hen hierbij een handje. Zwarte Sterns broeden van nature op drijvend plantenmateriaal zoals Krabbenscheer.

Krabbenscheer (Stratiotes aloides)

Krabbenscheer (Stratiotes aloides)

foto: Hans Dekker

Krabbenscheer vormt een dicht pakket op het oppervlak van bijvoorbeeld petgaten en in stilstaande of traag stromende delen van rivieren. Omdat Krabbenscheer een aantal jaren geleden nog maar weinig voorkwam ontstond het idee om de Zwarte Sterns te gaan helpen met drijvende kunstnesten. Diverse soorten kunstnesten werden ontwikkeld. In de Brandemeer maken we gebruik van vlotjes gemaakt van pvc-buis.

vlot met jongen

vlot met jongen

foto: Vincent Oosterhof

In de praktijk blijken deze vlotjes beter te werken dan een volledig piepschuimen variant, omdat het water in de petgaten dermate zuur is dat het schuim in het water volledig oplost.De vlotjes zijn 60 cm2 groot en bespannen met met fijnmazig gaas. Ieder jaar worden de vlotjes nagekeken door de leden van de vogelwerkgroep. Lekke vlotjes worden opnieuw gelijmd en versleten gaas wordt vervangen. Na reparatie worden de vlotten in het water gelegd. Er worden ‘kettingen’ gemaakt met tussenruimtes van plm 3 meter. De uiteinden van de kettingen worden verzwaard en afgezonken op de bodem van het petgat. Daarna worden de vlotjes bedekt met plantenmateriaaal zoals wier en daarna afgedekt met modder. De sterns leggen hierop drie groen/bruingespikkelde eieren. De broedtijd is ongeveer 21 dagen en begint na de leg van het derde ei. De kuikens worden gevoerd met insecten zoals libellen en waterjuffers, maar ook met vis en rupsen.

de jongen worden gevoerd

de jongen worden gevoerd

foto: Vincent Ooosterhof

Na nog eens drie weken zijn de jonge vliegvlug maar worden nog regelmatig door de ouders gevoerd. In de broedtijd begint ook de rui. De zwarte vogels verkleuren dan van zwart naar wit met grijze vlekken achter op de kop, in de nek en op de schouders. Tijdens het broedseizoen worden de kolonies wekelijks bezocht door leden van de vogelwerkgroep.

Zwarte Sterns tellen

Zwarte Sterns tellen

foto: Vincent Oosterhof

Naast het tellen van de aanwezige oudervogels wordt geprobeerd het broedresultaat in beeld te brengen. Vanaf begin augustus verzamelen de Zwarte Sterns zich in grote aantallen op het IJsselmeer, oplopend tot wel 50.000 en meer. Samen met soortgenoten uit Noord- en Oost-Europa rusten zij hier uit en vetten op voordat zij aan de lange en gevaarlijke reis naar Afrika beginnen.

zwarte stern

zwarte stern

foto: Eric van Roon

Ook in het voor publiek toegankelijke deel van het natuurgebied bevindt zich een kolonie. Jaarlijks broeden hier ongeveer 15 paren Zwarte Sterns. De kolonie is te vinden door het schelpenpad vanaf het boothok naar de Tjonger te volgen. Bij de Tjonger aangekomen linksaf en deze volgen tot aan het eerste huis. Hier ga je linksaf en na 50 meter zie je rechts voor je een terkgat, begroeid met Gele Plomp. Hierin liggen de vlotjes. De Zwarte Sterns komt men in hele gebied foeragerend tegen. In het gebied komen ook onder andere de volgende vogelsoorten voor: Wilde Eend, Knobbelzwaan, Meerkoet, Rietgors, Rietzanger, Kleine Karekiet, Waterral, Porseleinhoen, Bruine Kiekendief, Roerdomp en IJsvogel.

Op stok met de grote zilverreiger

Het is zaterdagavond rond half zeven, 5 oktober. Vandaag is het tijd voor de periodieke slaapplaatstelling van de grote zilverreiger. Deze statige, grote witte reiger is inmiddels een vertrouwde soort in Nederland en zo ook in de natuurgebieden de Rottige Meente en de Brandemeer. Wij hebben afgesproken aan de rand van het gebied Brandemeer Zuid. Wij, dat zijn Florian, Theo en Heine, zijn hier in opdracht van SOVON om het aantal grote zilverreigers te tellen dat dit gebied heeft uitgekozen om de nacht door te brengen. Gewapend met een ouderwetse handteller en verrekijkers hopen we het record te kunnen breken van een aantal jaren geleden. Meer dan 100 grote witte vogels werden op één avond geteld. Zo’n 10% van de totale noordelijke populatie.

Grote Zilverreiger

Grote Zilverreiger

foto: Mark Zekhuis

Wanneer we de ribbe oplopen in de richting van de vaste slaapplaats worden we verwelkomd door een reegeit met kalf. Ze hebben ons al gezien, gehoord en geroken en kijken wantrouwig in onze richting. Zijn we jagers? Algauw nemen moeder en kind de ranke reeënbenen naar een veiliger plek. Je weet het als ree immers maar nooit. Wij lopen door en nemen een groepje koperwieken waar die zich tegoed doen aan de verschillende soorten bessen die langs dit pad groeien. Ook horen we de roep van de goudvink. Dan komen we aan op de plek waar de voorstelling plaats zal vinden. Het toneel: een grote plas, omzoomd door bomen en struiken, verlicht door de laatste stralen zonlicht tegen een roodkleurende hemel. Het is bijna windstil, alsof de natuur zelf de adem inhoudt in afwachting van dat wat komen gaat. In de verte zien we acht van de hoofdrolspelers van vanavond in de struiken zitten. Nog drie proberen een laatste visje te vangen voordat ook zij zich opmaken voor de nacht. Dobberend op het water zien we nog andere spelers: krakeenden, herkenbaar aan het “krek”, slobeenden met hun grote snavels en ‘fluitende’ talingen. Een vroeg nonnetje vliegt over. Waarschijnlijk is zij mee gekomen in een groep kolganzen. Een fuut vliegt over ons heen. Plotseling doemt er een havikvrouw op, laag scheert zij over het water… af en toe lijken de vleugels het water te raken. Op volle snelheid vliegt zij richting een groepje eenden in de hoop hen te kunnen verrassen om er vervolgens een te kunnen grijpen. Helaas voor dit vrouwtje slaagt zij er niet in om er een te vangen. Verder horen en zien we nog groenlingen, koolmezen, wilde eend, soepeend (lat. Naam: Anser Unox), buizerd, grauwe gans, blauwe reiger, knobbelzwaan, stormmeeuw, roodborst, winterkoning en merel.

Dan horen we de ijle roep van een ijsvogel achter ons. Even later krijgen we hem te zien. Als een ware blauwe schicht vliegt hij over het water. We fluisteren net dat onze avond niet meer kapot kan wanneer we een houtsnip zien overkomen. Ondertussen druppelen de grote zilverreigers binnen. Alleen, met z’n tweeën of met z’n drieën vliegen ze over, de vleugels in majestueuze trage slag op en neer bewegend, om dan in de struiken te landen en daar de nacht door te brengen. Inmiddels zitten we op zo’n 40 stuks en we hebben nog even te gaan. Tegen de roodverkleurende hemel zien we ‘over te Tjonger’ groepen kolganzen vliegen, zoekend naar een geschikte plek om de nacht door te brengen. Zachtjes zeggen we tegen elkaar dat het mooi zou zijn wanneer ze uitgerekend deze plas zouden kiezen. Het geluid van overvliegende kolganzen is voor ons het kenmerk van de naderende winter. Op de vlucht voor de strenge koude in het hoge noorden van Rusland en Siberie overwinteren de kolganzen in enorme aantallen (500.000 tot 600.000) in ons land. Kennelijk hebben de ganzen ons gehoord, want vanuit de verte zwelt het gegak van de ganzen aan. Kort daarna vallen de eerste ‘kollen’ binnen. Eerst in groepjes van 10 a 20 stuks, maar al gauw worden de groepen groter tot soms enkele honderden tegelijk. De aantallen dobberende ganzen lopen snel op: 1000, 2500, 3500 en nog komen er meer… De naam Gerrit Hof valt. Wat zou hij dit mooi hebben gevonden. Gerrit was coördinator van vogelwerkgroep Brandemeer en een echte ganzenman. Halsbanden aflezen met de telescoop, om vervolgens de gegevens door te geven aan Goosetrack.nl om de herkomst van de ganzen te achterhalen en ook waar en wanneer zij geringd zijn. Helaas is Gerrit afgelopen voorjaar overleden en daarom beschouwen we dit schouwspel als een eerbetoon aan Gerrit.

Kolgans

Kolgans

foto: Piet Munsterman

Intussen is het acht uur en bijna geheel donker, vleermuizen fladderen om ons heen en nog steeds komen er ganzen van alle kanten aanvliegen om zich vervolgens in het water te laten vallen. 6000, 7000 en zo nu en dan nog een enkele zilverreiger, de aantallen lopen op. Uiteindelijk loopt het tegen half negen en we besluiten dat het mooi is geweest. Het is nu donker en het zicht is nihil. Het aantal getelde zilverreigers komt uit op 63, een mooi aantal, maar helaas ver onder het record. De ganzen blijven echter maar komen. Onze schatting is dat er op het moment van vertrek zo’n 10.000 ganzen op het water dobberen, veilig voor roofdieren als de vos en wellicht dromend van de grazige groene weiden die ons land rijk is. Voor ons een onvergetelijke ervaring… In december is er een nieuwe slaapplaatstelling, we zijn benieuwd.

Heine van Dijk
Coördinator Vogelwerkgroep Brandemeer

Gruttotrek

Een onderzoeksgroep van Theunis Piersma heeft in februari 2013 in de Extremadura in Spanje 11 grutto’s uitgerust met rugzakzendertjes. De meeste van deze grutto’s waren toen onderweg naar Nederland of noordelijke streken. Het blijkt dat de Nederlandse grutto’s ons land al weer vroeg verlaten in de zomer. Half juli zaten er al vijf van de gezenderde vogels  ten zuiden van de Sahara. Slechts 1 zat er toen nog in Nederland, de rest verbleef in Zuid-Spanje. Op 17 december 2013 zijn er alweer twee van de gezenderde grutto’s, die in Afrika overwinteren in Zuid-Spanje  gesignaleerd. Overigens is een aantal van de grutto’s in de loop van de zomer helemaal niet naar Afrika doorgevlogen, maar in Spanje of Portugal blijven hangen. De trekbewegingen van de grutto’s  zijn vrij nauwkeurig te volgen op www.keningfanegreide.nl.

Grutto

Grutto

foto: Piet Musterman

bron: Vogelbescherming Nederland

Nieuwe Website

Met gepaste trots presenteren wij de nieuwe website van Vogelwerkgroep Brandemeer. De site is opgetrokken rond het WordPress publicatieplatform, waardoor we veel gemakkelijker dan voorheen de inhoud kunnen aanpassen en nu ook nieuwsberichten kunnen plaatsen. Voor bezoekers is er ook nieuwe functionaliteit: Er is een zoekfunctie en gebruikers kunnen via email op de hoogte gehouden worden van nieuwe berichten. In de toekomst kunnen we nog meer hippe functies activeren, zoals reacties op nieuwsberichten en koppelingen met sociale media.

Ook het ontwerp is op de schop gegaan. We hebben gekozen voor een lichter kleurenschema om de leesbaarheid te bevorderen en alle grafische elementen zijn in hogere kwaliteit opnieuw getekend. De nieuwe layout is volledig schaalbaar, wat de site ook op mobiele telefoons en tabletcomputers goed bruikbaar maakt.

Kritiek en suggesties zijn welkom, hiervoor kunt u contact opnemen met Jan Stegeman: webmaster@vogelwerkgroep-brandemeer.nl

Roerdomp

Roerdomp

foto: Gerrit J. H. Hof